Instructie geven aan (beginnende) roeiers is o.a. het aanleren van een goede roeibeweging en, indien nodig, het afleren van verkeerde bewegingen. Afleren is moeilijker dan aanleren. Preventie van fouten is daarom erg belangrijk. Een effectief middel hiervoor is het van begin af aan, consequent overbrengen van een goed haalbeeld m.b.v. videobeelden en het geven van het goede voorbeeld.
Om een goede roeibeweging aan te kunnen leren en fouten te kunnen verbeteren, moet een instructeur of coach de basisprincipes van de roeitechniek volledig begrijpen. Hoewel er een verschil is tussen instructie geven en coachen, is de basistechniek voor beide het uitgangspunt. Instructie is vooral het aanleren, coachen vooral verbeteren en verfijnen.
Als we het hebben over de roeibeweging bedoelen we de roeicyclus. De roeicyclus bestaat uit 2 fases:
• De haal (inspanningsfase): het blad zit in het water
• De recover (herstelfase): het blad is boven het water
Haal en Recover
Een verkeerde volgorde of uitvoering van wegzetten, inbuigen, glijden, veroorzaakt balansverstoringen in de recover en tal van mogelijke fouten bij de inzet: vlaggen, naduiken, rugopzwaai, diepen, etc. Hierdoor ontbreekt het fundament van een goede haal: een goede inzethouding en timing van de inzet.
Bij een goede inzethouding en timing kunnen de benen na de inzet meteen druk opbouwen. Als de roeier de beentrap vervolgens goed doorzet geeft dat het kenmerkende gevoel van hangen. Als een roeier dat hangen eenmaal doorheeft, voelt hij automatisch aan op welk moment de rug en armen ingezet moeten worden. Hangen aan de riem dicteert de natuurlijke bewegingsvolgorde benen – rug – armen.
Het heeft pas zin om aan kracht, uithoudingsvermogen en snelheid te beginnen als de recover en haal voldoende beheerst worden. Het belang van de recover kan echter niet genoeg benadrukt blijven.
Het vaststellen van oorzaak en gevolg van fouten, de foutenanalyse, vormt de basis voor een goede correctie-aanpak. Om goed te kunnen analyseren moet een instructeur of coach niet alleen een duidelijk beeld van een goede roeibeweging hebben, maar ook in staat zijn om dit ideaalbeeld te vergelijken met de roeibeweging van zijn roeiers. Uitgangspunt voor de analyse zijn observatiepunten die gekoppeld zijn aan de beschrijving van de roeitechniek in hoofdstuk 7.
Bijna alle voorkomende fouten bij (beginnende) roeiers staan in het schema in hoofdstuk 10, gerangschikt a.d.v. deze observatiepunten. Bij de correctie kan gebruik worden gemaakt van de techniekoefeningen zoals beschreven in hoofdstuk 11.
Observatiepunt voor het beoordelen van inzet- en uitzethouding:
• De hoeken van ellebogen, heupen en schouders (zie beschrijving roeitechniek).
Observatiepunten voor het beoordelen van de haal en recover:
• Bladen
• het lichaam:
• Handen
• Ellebogen
• Schouders
• Hoofd
• Rug
• Bekken
• Knieën
• Voeten
Algemene observatiepunten:
• Balans
• Ritme:
• Punt van de boot
Alle bewegingen tijdens het roeien zijn onderling van elkaar afhankelijk. Bij een goede coördinatie sluiten de bewegingen vloeiend op elkaar aan. De volgende overgangen maken deel uit van de coördinatie:
Uitzetbeweging
• eindhaal – uitzet
Recover
• uitzet – wegzetten
• wegzetten – inbuigen
• inbuigen – glijden
• glijden – inzet
Inzetbeweging
• blad plaatsen – trappen
Haal
• inzet – beginhaal
• beginhaal – midden gedeelte
• middengedeelte – eindhaal
Bij het constateren van fouten in de roeibeweging is het belangrijk om de hoofdoorzaak vast te stellen. Er zijn drie categorieën hoofdoorzaken:
1. Fouten in de afstelling of het materiaal
• Verkeerde afstelling voetenbord: te ver weg (te weinig ruimte bij de uitzet, van het boord vallen), te dicht bij (voor niet breed genoeg zitten, nareiken, ellebogen voorbij het lichaam bij de uitzet), te hoog (onderbenen niet verticaal genoeg), te laag (onderbenen te ver door verticaal).
• Verkeerde afstelling bladhoek: te groot (zagen, uitlopen), te klein (diepen).
• Verkeerde afstelling riggerhoogte: te laag (slechte uitzet), te hoog (uitlopen).
• Dolwijdte: te nauw of te wijd (moeilijk draaien, verpakken, polsklachten).
• Verkeerde afstelling riemen: te licht of te zwaar (door het bankje trappen).
2. Angst / gespannenheid
Ontspannen zorgt snel voor een betere techniek. Veel fouten in de techniek ontstaan door teveel spieractiviteit. Ontspanning en rust kunnen fouten voorkomen zoals:
• bladen uit het water draaien, slifferen, stilzitten, te snel oprijden, bladen te laat draaien, krampachtige schouders, knijpen, etc.
3. Fout in een voorafgaande fase
De mogelijke oorzaak-gevolg relaties hieronder laten zien dat oorzaak en gevolg elkaar kunnen versterken (1 t/m 3) en dat de oorzaak dicht bij, maar ook verder weg van de fout kan liggen (4 en 5).
1. Tegelijkertijd wegzetten, inbuigen, rijden → te snel rijden → nareiken → stilzitten bij de inzet → rugopzwaai → inzetverlies → diepen → zagen → blad(en) uit het water draaien → stilzitten bij de uitzet → tegelijkertijd wegzetten, inbuigen, rijden
2. Bekken kantelen bij de uitzet → inbuigen waarbij het bekken teruggekanteld wordt → nareiken→ hoge schouders → Bekken kantelen bij de uitzet
3. Romp over de riem trekken voor de uitzet → nareiken → door het bankje trappen → Romp over de riem trekken bij de uitzet
4. Nareiken → door het bankje trappen → romp over de riem trekken voor de uitzet → uitlopen
5. Nareiken → vlaggen → over het water slaan → zagen → uitlopen
Om fouten te kunnen corrigeren moet vastgesteld worden welke hoofdoorzaak het eerst aangepakt moet worden. Door de hoofdoorzaak aan te pakken kunnen meerdere opeenvolgende fouten vaak in een keer verdwijnen. Hanteer bij de aanpak van fouten altijd deze volgorde:
1. Fouten in de afstelling of het materiaal.
2. Angst.
3. Fouten die blessures kunnen veroorzaken: knijpen, kromme polsen, verpakken, door het bankje trappen (rug!), verkeerde houding.
4. Fouten in de voorgaande fase.